Meest voorkomende Amfibieën in de Wouterbron

 

Vinpootsalamander ( Triturus helveticus )

De vinpootsalamander wordt ook draadstaart- of zwemvoetsalamander genoemd. De
mannetjes worden 8 cm lang, de vrouwtjes iets groter, tot 9 cm. De vinpootsalamander
blijft dus kleiner dan zijn aanverwante soort, de kleine watersalamander.
De vinpootsalamander prefereert in ons land vooral waterpartijen (poelen, karrensporen,
vennen
, vijvers, bronnen) in of aan de rand van bossen.

Kenmerken

De mannetjes zijn in de late lente herkenbaar aan de zwarte zwemvliezen tussen de achtertenen en aan het draadje aan het uiteinde van de staart. Het is vandaar dat de vinpootsalamander aan zijn naam is gekomen. Om dezelfde reden kennen we hem ook nog onder de naam “zwemvoetsalamander” genoemd. Het draadje achteraan zijn staart geeft hem nog een naam, namelijk de “draadstaartsalamander”, maar die wordt bijna niet gebruikt. De vinpootsalamander kan verward worden met de kleine watersalamander. De rug is lichtbruin tot olijfgroen, de keel is niet gevlekt , de buik wel, alhoewel minder duidelijk dan bij de kleine watersalamander en heeft een lichtgele tot oranjeachtige lengtestreep. Vrouwtjes vinpootsalamander gelijken in hun uiterlijk vrij goed op deze van de kleine watersalamander. Het beste kenmerk om ze uit elkaar te houden is de kleur van de kin en de keel. Kleine watersalamanders hebben een gevlekte keel alhoewel die vlekjes soms vrij klein zijn of zelfs kunnen ontbreken. Dergelijke dieren worden dan vaak als vrouwtjes vinpootsalamander beschouwd! De keel bij de kleine watersalamander is echter vuilwit tot lichtgeel van kleur terwijl de keel van de vinpoot roze of vleeskleurig is.

 

Levenswijze

Er bestaan zowel water- als landsalamanders. Sommige leven deels in het water, deels op het land, andere leven alleen op het land en weer andere leven alleen in het water. De volwassen vinpootsalamander is een typisch voorbeeld van een salamander die de meeste tijd op het land doorbrengt. Als de tijd rijp is gaan ze terug naar het water. (Meestal is dat de poel waar ze zijn opgegroeid.) Ze zoeken er een partner en paren er. De vrouwtjes leggen 100-400 eitjes. Elk eitje wordt zorgvuldig gelegd omringd door een waterplantblaadje. Uit de eitjes komen dan de salamanderlarven. Ook de larven van beide soorten (kleine watersalamander en vinpootsalamander) zijn niet van elkaar te onderscheiden. Ze zijn doorgaans egaal lichtbruin van kleur. Hun relatief smalle staart is eindigt in een vrij spitse punt. Het zijn ongeveer 1cm grote diertjes met kieuwen, die zich ontwikkelen tot jonge dieren van om en bij de 4 cm. De larven ondergaan een proces dat metamorfose wordt genoemd. In elke fase gaan ze steeds meer op een volwassen salamander gaan lijken.

Leefgebieden

Het is hier dat poelen voor de salamander enorm belangrijk worden. Hoewel salamanders zich doorgaans goed thuis voelen in alle in koele, vochtige gebieden, waar ze een plekje zoeken in holen of rotsspleten, onder stenen en boomstronken, in stroompjes en moerassen. De vinpootsalamander heeft net als andere salamanders uit onze streek poelen nodig om zich voort te planten. Liefst dan nog met een goede begroeiing zodat ze zich kunnen verstoppen en vooral ook met zuiver water.

Voedsel en verdediging

Salamanders zijn carnivoren, dat wil zeggen dat ze vooral leven van kleine, ongewervelde dieren als insecten, slakken en wormen. Ze jagen meestal ’s nachts. Salamanders sporen hun prooi doorgaans op met hun gezichts- en reukvermogen. Wat merkwaardig is bij de vinpootsalamander is dat hij bij het zoeken naar voedsel ook nog geholpen wordt door zijn zijlijnorganen. Dit zijn rijen zintuigen aan beide zijden van het lichaam, die zich net onder de huid bevinden en via poriën in verbinding staan met de buitenkant van de huid. Deze zintuigen zijn gevoelig voor trillingen in het water en helpen zo bij het opsporen van prooi. Een salamander verdedigd zich vooral door zijn huidskleur. Hoewel ze voor tal van dieren perfect eetbaar zijn, lijken ze door hun waarschuwingskleuren toch giftig.

 

 

Help de vinpootsalamander

Omdat er momenteel een ernstig tekort is aan poelen kunnen tuinvijvers de oplossing bieden. Belangrijk is wel dat er geen vissen aanwezig zijn en dat de salamander goed in en uit de vijver kan. Hij heeft ook voldoende schuilmogelijkheid nodig. Niet alleen in de poel maar ook in de tuin zelf. Hij brengt de winter door buiten de poel dus kan een stapeltje hout of snoeiafval en enkele stenen met wat struikgewas al zeer veel doen. Haal de dieren vooral niet uit de natuur naar je tuin. Alle Belgische amfibieën zijn beschermd! Als je een geschikte leefomgeving voor ze hebt bij jou thuis komen ze van zelf.

 

Alpenwatersalamander ( Triturus alpestris )

 

De alpenwatersalamander is een middelgrote watersalamander. De mannetjes bereiken een lengte van 10 cm,
de
vrouwtjes worden iets groter, tot 12 cm. Beide geslachten hebben een zeer kenmerkende buikkleur die
geel tot oranje of oranjerood is en volledig ongevlekt. De alpenwatersalamander bezet een grote
verscheidenheid aan waterhabitats: weide- en bospoelen, kleine vijvers, vennen, grachten en sloten,
karrensporen
en zelfs kunstmatige veedrinkbakken. Meer dan de andere soorten verblijft deze soort in vrij
kleine, ondiepe, beschaduwde en relatief koele waterpartijen. Hij wordt zelfs gevonden in troebele
waters zonder enige plantenbegroeiing.

Legsels en larven van kikkers en in mindere mate van padden (toxisch!), worden door heel wat dieren als een lekkernij beschouwd. Ze staan niet enkel op het menu van diverse in het water levende ongewervelde dieren zoals waterkevers, waterwantsen, poelslakken, bloedzuigers, kokerjuffers en rugzwemmers maar worden ook door hogere dieren zoals vissen en watervogels niet versmaad. De grootste predators van deze legsels blijken echter salamanders te zijn. Vooral de Alpenwatersalamander (Triturus alpestris) en de Kleine watersalamander (Triturus vulgaris) doen zich veelal te goed aan legsels van Bruine kikker (Rana temporaria) en groene kikkers. (Rana esculenta synkl.)

Bruine kikker ( Rana temporaria )

Engels: Common Frog
Frans: Grenouille rousse
Duits: Rohukonn

In Limburg is hij de meest voorkomende soort. Je vindt hem is poelen, vijvers,
sloten
enz.De bruine kikker heeft een korte, stompe snuit en wordt ongeveer 10 centimeter
groot. De vrouwtjes zijn iets groter. De Bruine kikker lijkt soms meer groen dan bruin
maar je kan hem altijd herkennen: aan de zijkant van de kop, vanaf het oog tot aan de
schouder heeft de Bruine kikker een grote, altijd donkerbruine vlek. Hij gaat vooral
's nachts op jacht en komt alleen in de lente in het water voor de voortplanting.
Bruine kikkers eten voornamelijk kevers. Daarnaast landslakken, mieren, duizendpoten en
andere insecten. De larven van de Bruine kikker eten vooral algen (of elkaar).

Groene kikker (complex)

Er zijn 3 verschillende soorten groene kikkers: De Poelkikker (Rana lessonae),
De
Meerkikker (Rana ridibunda) en duizenden jaren geleden is er door een kruising
tussen deze twee soorten een derde soort ontstaan: De Middelste Groene kikker (Rana esculenta).
De voortplanting is van mei tot juli. In het begin van deze periode worden kwakende koren gevormd,
die
in kracht afnemen naargelang het seizoen verstrijkt. Het geluid van hun paarroep wordt
versterkt door middel van kwaakblazen. Bij de Groene kikker zijn de kwaakblazen uitwendig, aan
de zijkanten van de kop geplaatst. In de zomer blijven de Groene kikkers aan de oever van de plas;
alleen
bij nat weer verspreiden ze zich. Overwintering gebeurt zowel in het water als op het land.